zaterdag 17 augustus 2019

Kabinet, kom over de brug en help ons!


Recent stond in een krant dat tweeverdieners die elk een modaal salaris hebben, moeilijk de touwtjes aan elkaar kunnen knopen. Hoge woonlasten, stijgende prijzen en een forse belastingdruk kunnen als oorzaken worden genoemd. Uit een onderzoek van het Nibud blijkt dat sinds 2010 slechts van enkele inkomensgroepen de koopkracht iets is verbeterd, maar dat de meeste Nederlanders behoorlijk hebben moeten inleveren. Dit kabinet heeft in de Troonrede van 2018 beloofd dat vrijwel iedereen er in 2019 erop vooruit zou gaan, maar dat is niet echt bewaarheid geworden. 

Het dreigt de komende tijd zelfs nog te verslechteren. Veel gemeenten krijgen het huishoudboekje niet sluitend. Genoegzaam bekend zijn de tekorten in het sociaal domein. Door bezuinigingen en andere maatregelen van het Rijk worstelen de meeste gemeenten met miljoenentekorten. In het verleden zijn soms reserves aangelegd maar die verdwijnen als sneeuw voor de zon. Alhoewel de organisatie van de zorg beter en efficiënter kan en moet, zal dat nooit tot de oplossing van het probleem leiden. Er kan worden beknibbeld op de voorzieningen, maar dat zal leiden tot het in de knel komen van kwetsbare bevolkingsgroepen. Dat is dus niet echt een keuze. Geld moet erbij en wel structureel! Macro gezien gaat het om ruim een miljard euro, waarbij een geleidelijke afbouw naar de helft over vijf jaar vermoedelijk realistisch is omdat het tijd kost om een grondige reorganisatie door te voeren.

Als alleen het sociaal domein een probleem was, zou het al dramatisch genoeg zijn. Er speelt echter nog veel meer. Gemeenten zijn door het Rijk gekort via het gemeentefonds met soms oneigenlijke argumenten. Zo komt de zogenaamde opschalingskorting uit de tijd van een vorig kabinet. Gemeenten moeten miljoenen inleveren omdat door herindelingen, waarbij alleen nog maar 100.000+ gemeenten zouden overblijven, veel geld verdiend zou kunnen worden op de organisatie. Dat is pure kolder. Ten eerste zijn de herindelingen niet doorgegaan en ten tweede zijn de organisatiekosten van twee gemeenten van 50.000 inwoners lager dan van één gemeente met 100.000 inwoners. Big is niet altijd beautiful en zeker niet goedkoper...

Gemeenten zijn in 2015 met 256 miljoen euro structureel gekort op de onderwijshuisvesting. Niet al het geld voor onderwijs zouden gemeenten indertijd hebben uitgegeven aan de (ver)bouw van scholen. Misschien was dat toen geheel of gedeeltelijk het geval, maar inmiddels ziet het plaatje er beduidend anders uit. Door de grote stijging van de bouwkosten moeten gemeenten altijd bijpassen als een school sober en doelmatig gebouwd moet worden. De uitkering van het Rijk is onvoldoende en er moet geld uit de reservepot worden gehaald om aan de wettelijke verplichtingen te kunnen voldoen. 

Er zijn nog veel meer voorbeelden waarbij het Rijk een greep uit de gemeentekas heeft gedaan, waarbij machteloos moest worden toegezien dat dit gebeurde. In de jaren van de financiële crisis kon nog worden betoogd dat alle overheden hun steentje moesten bijdragen, maar nu wij economische rugwind hebben zou het toch logisch zijn dat ook gemeenten hiervan de vruchten plukken. Het is goed te bedenken dat onze inwoners de gemeenten vormen. Met andere woorden, als er tekorten zijn draaien de burgers ervoor op. Gemeentelijke belastingen moeten worden verhoogd, voorzieningen op het gebied van bijvoorbeeld cultuur en sport moeten verdwijnen of worden beperkt, de onderhoudstoestand van wegen verslechtert en ga zo maar door. 

Er zijn nauwelijks gemeenten met overschotten. Reserves worden gevormd door de waarde van gebouwen, inventaris en andere bezittingen die niet te gelde gemaakt kunnen worden. Dat betekent dat jaarlijkse tekorten leiden tot een steeds grotere schuldenlast. Er moet worden geleend. Gelukkig staat de rente momenteel laag. Ooit zal echter de rente stijgen en als de schuldenlast dan ernstig gegroeid is, leidt dat gegarandeerd tot problemen. De verwachting is echter dat de komende jaren bij ongewijzigd regeringsbeleid een groot aantal gemeenten de Artikel 12 status zullen krijgen wat ook zeer grote financiële gevolgen voor de inwoners heeft. Het is te hopen dat dit kabinet het niet zover zal laten komen en dat men gauw over de brug komt, als deze tenminste door achterstallig onderhoud nog enigszins begaanbaar is....




zaterdag 22 juni 2019

Het sprookje van Hugo en de jonge Jan


Er was eens een vader die Hugo heette. Hij had een zoon en dat was Jan. Zij woonden in Polderland en het leven was goed. Hugo hield van mooie schoenen en was niet onbemiddeld, maar hij wilde Jan niet te veel verwennen. Jan had een oude oma die ziekelijk was en zelf geen eten meer kon koken. Hugo zorgde er jarenlang voor dat zijn oude moeder, Jan’s oma, elke dag haar eten kreeg. Op een dag zei vader tegen Jan dat hij voortaan oma wel eten kon gaan brengen. Jan was nu oud genoeg geworden om dat te gaan doen en hij woonde ook dichter bij oma in de buurt dan zijn vader. Jan kreeg vijf euro mee en zijn vader vertelde dat dit genoeg was om voor oma eten te kopen. Toen hij echter bij supermarkt Altijd Fijn kwam, bleek dat hij te weinig geld had gekregen. Het eten kostte wel acht euro. Hij ging terug naar zijn vader die hem vertelde dat hij normaal altijd zes euro betaalde, maar dat Jan vast wel goedkoper uit was als hij meer van de aanbiedingen gebruik zou maken. Ook al ging Jan naar de goedkopere Lidaldi supermarkt, nog altijd kwam hij met de 6 euro niet uit dus hij haalde elke dag maar geld uit zijn spaarpot om het oude mensje niet te laten verhongeren. Toen oma op een dag geen gewoon eten meer mocht van de dokter, maar speciaal voedsel moest gebruiken waardoor het duurder werd, moest Jan elke dag wel 8 euro betalen. Hij ging naar zijn vader om meer geld te vragen en hij kreeg ook een beetje meer maar Hugo wilde hem niet meer dan 6 euro geven voor oma. De spaarpot van Jan raakte op deze manier snel leeg, ook al kreeg hij een paar dubbeltjes meer zakgeld. Hij was ten einde raad en smeekte zijn vader om een hogere bijdrage in de kosten voor het eten van oma. Maar het hielp niks. Hugo beloofde te onderzoeken hoe het kwam dat de supermarkten zo duur geworden waren en hij wilde weten of Jan wel het goede eten voor oma kocht, maar dat loste niets op. Zo moest Jan gaan collecteren in de buurt en hij vroeg geld aan zijn vriendjes. Ook stopte hij met voetballen omdat de contributie van de club niet meer betaald kon worden. Het lidmaatschap van de bibliotheek werd opgezegd en de nieuwe fiets die hij nodig had kwam er niet. Uiteindelijk moest oma op rantsoen en at nog maar om de dag. Jan had zoveel uitgegeven dat hij in de schuldhulpverlening kwam en de bibliotheek moest dicht. Het lijden was uitzichtloos en dit verhaal lijkt bijna een stille dood te sterven maar opeens was er die goede fee (u dacht al, waar blijft die nou in dit sprookje). De fee ging naar Hugo en fluisterde iets in zijn oor. Dankzij effectief hacken door de Russen weten wij dat zij Hugo erop wees dat het zo niet goed ging met oma, dat zijn zoon Jan de vernieling in ging en dat hij met zijn geld hele mooie dingen kon doen! Hugo realiseerde zich ineens hoe krenterig hij was geweest (en dan is het nog niet eens kerst...) en hij knuffelde Jan met de belofte dat zij voortaan alle problemen die oma had samen zouden oplossen. Hij zou zorgen voor genoeg geld en Jan zou daarmee oma weer goed kunnen onderhouden. Hij kon zelfs weer een beetje geld in zijn spaarpot, die inmiddels leeg was, stoppen. Hugo zei: “iedereen moet weten dat ik goed voor de ouderen en de jeugd zorg”. Zo leefden zij nog lang en gelukkig....

dinsdag 14 augustus 2018

De EU is de ideale kop van jut

Antonio Tajani, voorzitter EP
Volgend jaar mei zijn er weer verkiezingen van leden van het Europees Parlement. Tijdens de campagne zullen de stokpaardjes weer bereden worden door de politieke partijen waarbij gekozen kan worden voor het ideaal van een federaal Europa of voor het opdoeken van de EU en alles wat daar tussen zit. De ChristenUnie staat achter Europese samenwerking maar gaat voor een realistische koers. Dat betekent lokaal organiseren wat gemeenten kunnen uitvoeren, provinciaal regelen wat regionaal moet, in Den Haag afspreken wat landelijk geregeld dient te worden en pas Europese afspraken maken als dit echt nodig of nuttig is. Voorbeelden zijn het verbeteren van de interne markt, afspraken maken over het milieu (luchtvervuiling houdt zich niet aan grenzen) en gezamenlijk optrekken op het gebied van veiligheid. Toch worden er regelmatig pogingen gedaan om bevoegdheden van de lidstaten geheel of gedeeltelijk over te hevelen naar Brussel. Zo heeft de voorzitter van het Europees Parlement, de heer Tajani (zie foto), het al langer levende idee geopperd om Europese belastingen te gaan heffen. Dat is dus geen voorstel waar de ChristenUnie achter staan en dat geldt tot nu toe ook voor de Nederlandse regering. Het probleem is dat ideeën als deze heel makkelijk worden gebruikt door Eurosceptici om te laten zien dat "Brussel" het voor het zeggen krijgt in ons land als wij niet oppassen. Daarnaast wordt dan ook meteen betoogd dat de EU zou leiden aan een democratisch tekort. Hierover heeft Tomas Vanheste van De Correspondent al in januari 2014 een ook nu nog lezenswaardig en evenwichtig artikel geschreven https://decorrespondent.nl/629/is-europa-echt-zo-ondemocratisch/29018286-bb3ce606
Sinds het Verdrag van Lissabon (2007) heeft het Europees Parlement een positie verworven die zodanig is dat het op basis daarvan niet meer te betogen is dat er een democratisch deficit zou zijn. De lage opkomst bij de verkiezingen voor de EU zouden dit nog wel kunnen onderbouwen, dus daar ligt een belangrijke taak voor politici maar ook voor de media. De berichtgeving over wat er in Brussel en Straatsburg gebeurt is vaak erg summier. Een klimverbod voor hunebedden krijgt meer exposure dan de besluitvorming in de EU. Onbekend maakt onbemind.

De onbekendheid zorgt ervoor dat de anti-EU politici ruim baan krijgen om hun eenzijdige beelden over de Unie te ventileren. Naast het reeds genoemde vermeende ondemocratische gehalte, wordt vaak betoogd dat er sprake is van geldverspilling, alleen al vanwege het enorme aantal ambtenaren. Om de zaken in perspectief te zetten; de EU telt circa 55.000 ambtenaren, wat ook ongeveer het aantal is dat de stad Parijs in dienst heeft. Nederland telt ruim 500.000 ambtenaren en zit gemiddeld gezien aan de lage kant als je naar de andere 27 lidstaten kijkt. De begroting van de EU komt uit op ongeveer 140 miljard Euro per jaar, wat neerkomt op circa 1% van het BBP van heel Europa. Alleen België overschrijdt jaarlijks de 200 miljard euro al. Een groot deel van het ontvangen geld gaat naar de landbouw (zodat deze kan voldoen aan onze veiligheids- en gezondheidsstandaarden) en naar achtergestelde gebieden, met name naar infrastructuur. In 2016 sprak ik, enkele maanden na het referendum over de Brexit, in de marge van de Conservative Party Conference in Birmingham met Thierry Baudet over de EU. Zijn scepsis is bekend en alle argumenten tegen de huidige Europese samenwerking die ik hiervoor heb genoemd (te groot en duur ambtenarenapparaat, niet democratisch, geldverspilling), kwamen voorbij. Hij vroeg mij waarom ik wel van mening ben dat wij in de Unie moeten blijven. Naast de grote voordelen van een interne markt noemde ik de vrede in Europa die al meer dan 70 jaar duurt. Volgens Prof. Peter Brecke van het Massachusetts Institute of Technology (M.I.T) heeft Europa van 1400 tot en met de Tweede Wereldoorlog gemiddeld meer dan één gewapend conflict per jaar moeten meemaken. De periode van vrede die wij momenteel meemaken is dus uniek voor de laatste zes eeuwen. De Nobelprijs voor de vrede is in 2012 niet voor niets aan de EU gegeven. En natuurlijk valt er ook wel wat af te dingen op wat er in de EU gebeurt. Zo is het het telkens verkassen van Brussel naar Straatsburg en weer terug, dat ongeveer 114 miljoen euro per jaar kost, niet te verkopen, al denken de Fransen daar anders over. Zij zouden zich moeten realiseren dat de beeldvorming uitermate belangrijk is, want die is vaak bepalend terwijl de feiten door weinigen op interesse mogen rekenen. En juist daardoor blijft de EU een ideale kop van jut!   

woensdag 30 mei 2018

Mijmeringen (vervolg)

Na mijn vorige blog willen al mijn lezers (echtgenote en kinderen) natuurlijk weten hoe het is afgelopen met de verkiezingen. Heel goed; op 33 stemmen na hadden wij een extra zetel! Natuurlijk was een derde zetel mooi geweest maar wij zeggen bij de ChristenUnie altijd dat wij voor de kwaliteit gaan in plaats van voor de kwantiteit en met drie zetels wordt dat lastiger om te zeggen. Mooi dat lijsttrekker Gerrit Weening en ervaren raadslid Oebele vd Veen verder kunnen en dat ik niet langs het UWV hoef. Hoe goed het werk ook van deze organisatie, met ex-wethouders is niet veel aan te vangen. Het zijn vaak eigenwijze types die niet echt meer plooibaar zijn. Het woord betweter kan makkelijk zijn afgeleid van (bet)onnen (wet)houd(er). Erg jammer voor collega Wietze Kooistra dat hij na drie termijnen niet door kan gaan. Hij heeft zeer hard gewerkt en heel veel bereikt, vooral in het sociaal domein. De politiek is een hard vak; ook al doe je alles goed, het is nooit een garantie dat je na verkiezingen verder mag. Ook tussentijds kan bijvoorbeeld een fout van een ambtenaar de bestuurder fataal worden. Daarom is een goed samenspel tussen wethouder en ambtenaar essentieel.

Echt fantastisch om door te kunnen en te mogen. Mijn favoriete portefeuille financiën kan ik houden, net als de mooie uitdaging die duurzaamheid heet en waarin veel reuring aanwezig zal zijn de komende tijd. Nu moeten stappen worden gezet om over niet al te lange tijd als gemeente energieneutraal te worden. Recreatie en toerisme blijft ook bij mij en daar ben ik ook blij mee. Cultuur gaat naar een collega en dat is jammer, maar het is geven en nemen bij coalitie-onderhandelingen. Europa is nog niet van mij af. Het is prachtig om de kwesties in Opsterland te kunnen combineren met het werk in Brussel bij het Comité van de Regio’s. De stem van gemeenten, die veel wat in Brussel wordt bedacht moeten uitvoeren, moet luid klinken. Veel regelgeving komt van de Europese Commissie en het is erg nuttig om bij de besluitvorming aan de voordeur te zitten om daar invloed te kunnen uitoefenen. Inmiddels heb ik geleerd dat het opbouwen van een netwerk cruciaal is. Dat lukt niet in een paar jaar dus is het heel fijn om meer tijd te krijgen om het netwerk te verbreden. Om een beetje op te scheppen heb ik een foto met Donald Tusk bij dit verhaal gezet. Wie dineert er nu elk jaar met de voorzitter van de Europese Raad? Dat zijn er vast heel veel en hij dineert misschien wel 300x per jaar met Jan en alleman, maar toch blijft het leuk. Kortom ik heb er weer zin in. Een periode met nieuwe uitdagingen en hopelijk ook meer financiële ruimte om Opsterland weer net even iets mooier te maken dan het nu al is!



maandag 12 maart 2018

Mijmeringen van een wethouder


Rond de verkiezingen komt het moment dat je als wethouder extra wordt bepaald bij je toekomst. Vooral als je nog graag een periode door zou willen, zoals in mijn geval. De eerste vraag die je kunt stellen is waarom zou je verder willen? Weken van 55 tot 60 uur zijn geen uitzondering en vele doordeweekse avonden ben je niet thuis. Waardering is er nauwelijks en kritiek des te meer. Bijna wekelijks word je beoordeeld, dan door gemeenteraad, dan weer door de pers, door ambtenaren, door de fractie en/of partijbestuur en last but not least door inwoners. Als de laatste groep iets van je vindt is dat meestal heel leerzaam maar soms ook best lastig. Vooral als je niet in de positie bent om iets aan klachten of vermeend onrecht te doen. Bijvoorbeeld bij het project snippergroen heb ik dat regelmatig aan de lijve ondervonden. Ontevreden burgers veronderstellen dat je als wethouder met één pennenstreek een juridisch onderbouwd ambtelijk besluit naast je neer kunt leggen. Zelfs leden van de gemeenteraad dichten het college soms meer macht toe dan het heeft. Zeker met de dualisering is de raad veel meer in positie gebracht. “Je ziet dat wethouders het moeilijker hebben. Zij moeten op inhoud fractie en gemeenteraad overtuigen. Is er twijfel dan vliegt de wethouder eruit”, zegt Douwe Jan Elzinga, hoogleraar staatsrecht in Groningen en als voorzitter van de verantwoordelijke staatscommissie grondlegger van het dualisme in het lokaal bestuur.

 

Toen ik in 2010 door mijn partij werd gevraagd om wethouder te worden heb ik wel even moeten nadenken. Ik had een hele goeie baan waarin ik het prima naar mijn zin had. Kiezen voor een onzekere toekomst met minder inkomen is best een grote stap. Als je nergens over struikelt mag je het vier jaar proberen en als het mis gaat is er weliswaar wachtgeld maar ondanks alle berichten hierover in de media blijkt dat toch beduidend minder riant dan velen vaak denken. Vanuit mijn geloof weet ik dat God een plan heeft met ieders leven en dus ook met het mijne. Bidden is dan de remedie en vragen of je leiding mag ontvangen bij de keuze die je moet maken. Hij sprak door mensen heen en na 26 jaar zekerheid in vaste banen durfde ik de sprong in het diepe te wagen. Daarbij vroeg ik Hem ook om mij te helpen met mijn twijfels; zou ik wel een goede wethouder zijn? Ik heb geen spijt gehad van mijn keuze. Ik ben gezegend met een zeer plezierig en collegiaal college, een kritische maar grotendeels reële gemeenteraad, buitengewoon loyale ambtenaren en een prachtige gemeente om in te werken.

 

Het werk is heel afwisselend, zeker met mijn portefeuille waar onder andere financiën, duurzaamheid, cultuur, de gemeentelijke organisatie en recreatie en toerisme deel van uitmaken. Ook mag ik actief zijn in diverse besturen, een adviesraad, een raad van toezicht en enkele andere organen waar ik als wethouder van Opsterland uit hoofde van die functie zitting deel van mag uitmaken. Ook ben ik lid van een VNG commissie waardoor ik namens alle gemeenten ook in Brussel actief mag zijn. In de loop der jaren bouw je een prachtig netwerk op met daarin veel mensen die soms ook dichtbij je zijn komen te staan. Wat werken er voor de publieke zaak toch veel gedreven en enthousiaste bestuurders en ambtenaren! Het doet mij zeer als ik zoveel lees en hoor over kritiek op politici die worden neergezet als zakkenvullers terwijl je overigens in het bedrijfsleven vaak veel meer kunt verdienen. Zij gaan juist niet voor het geld. Ambtenaren worden wel gediskwalificeerd als technocraten terwijl ik in Brussel veel gedreven mensen ontmoet die echt begaan zijn met bijvoorbeeld het milieu of immigranten.

 

De agenda voor het komende jaar is al aardig gevuld. De vraag is alleen of je na de verkiezingen en de coalitievorming zelf naar de bijeenkomsten mag of dat je opvolger dat zal gaan doen. In recente vergaderingen met bestuurders hebben wij elkaar bij het afscheid aangegeven dat wij nog niet weten of wij er de volgende vergadering ook weer bij zullen zijn. Zo is het nu eenmaal maar het blijft raar. Het gevoel dat je na intensief werken waarbij je naar een project of plan in de toekomst werkt, plotseling alles in de steek moet laten is niet plezierig. Als je echter gelooft zou het niet moeilijk moeten zijn. Het is zo voorbestemd en uiteraard is niemand onmisbaar. Ik merk echter dat ik nog moet groeien in mijn geloof en dat het Bijbelse “geen zorgen voor de dag van morgen” de ene dag dichterbij is en de andere dag wat verder van mij afstaat. Ook al moet ik dus meer vertrouwen hebben op het goede dat Hij voor mij in petto heeft, ik vraag u als lezer toch maar op woensdag 21 maart op mij (of uiteraard op één van de andere Opsterlandse ChristenUniekandidaten) te stemmen...

donderdag 19 oktober 2017

UK in a changing EU

The UK’s departure from the EU raises two important questions from a local government perspective. First, which level of government should take over the powers coming back from the EU? And second, what should the future relationship between the UK’s local governments and devolved administrations, and those of other members states, look like?
On the question of what to do with powers coming back from Brussels, there are some interesting case studies across Europe that the UK could draw inspiration from. My own country, the Netherlands, has a decentralised system of governance: we are a unitary state, but we allow our local and regional governments autonomy to take local action and legislate as long as they do not contradict national laws. We have 12 provinces and 388 municipalities in the Netherlands and they all benefit from this principle of autonomy.
Local government are able to introduce measures adapted to the needs of their localities; in practice, this means that – for example – Dutch municipalities are allowed to decide whether they want to introduce a low emission zone for their locality as a means to reduce pollution. This autonomy principle is exactly what is championed as ‘localism’ in the UK, and is all about allowing decisions to be taken as close to citizens as possible.
When considering the role of UK local governments and devolved administrations in a post-Brexit UK, it is important to remember the current legislative powers that they have within the EU. UK local governments and devolved administrations sit on the EU’s Committee of the Regions, where they are systematically consulted on legislative proposals, and, in line with the principle of subsidiarity, can take the EU to court should it legislate in an area that should have been left at the local or regional level.
This formal role given to UK local governments and devolved administrations enables them to formally raise any concerns over EU legislation. Importantly, this is also a role that they do not formally have in the UK’s national system of governance. When the UK leaves the EU, its local governments and devolved administrations will lose access to this mechanism for consultation and safeguarding subsidiarity.
The second question – on what the future relationship between the UK’s local governments and those of other member states should look like – is one that we have been addressing at the Committee of the Regions. This EU body needs to continue to act as a platform for cooperation at the local level: many of the modern day challenges we face, ranging from radicalisation in our communities to pollution, require local action and global coordination. Things like terrorism and climate change know no borders, so we need to think about how we can work together on such issues.
It is also in the interest of our fishermen and businesses that we continue dialogue and cooperation at all levels of government. As legislation starts to diverge, we need to continue to be aware of the supply chains that our businesses on both sides of the channel depend on for their mutual success.
From a Dutch perspective, while we are sad to see the UK leaving, we are also keen to ensure that a mutually beneficial deal is struck. We are keen to ensure that our local cooperation, our business and trade relations continue. Our local and regional impact assessments as well as our national impact assessments all underline the Dutch desire to continue working closely. For example, our Dutch national parliament stressed in its report that “any restriction on free trade with Britain would inevitably be at the cost of Dutch exports, prosperity and employment,” while adding that “there’s no reason at all to allow Britain to cherry pick, but there’s also no reason to prevent Britain from receiving trade advantages.”
In the European Committee of the Regions, we have been collecting data and evidence on the UK’s exit from the EU. We embarked on this exercise following our initial meeting with the EU’s chief negotiator, Michel Barnier, in January of this year; we have also met representatives of the UK’s devolved administrations and local governments. We have explored the implications of Brexit for the remaining EU27 as well as for the UK, focusing on specific policy areas such as economic policy, territorial cohesion and fisheries. The key conclusion is that everyone wants to see the continued sharing of best practices and lessons learnt so that we can effectively address common challenges.
Currently, in the Committee of the Regions, we already work with the local and regional governments of non-EU countries. We work with US mayors on climate change and we work with some of the EU’s neighbouring countries on tackling issues like the root causes of migration. We also work with countries like Ukraine in sharing best practices in local governance, helping the country in its decentralisation reforms.
While existing models of cooperation with non-EU countries can form a basis for shaping the future UK-EU cooperation at the level of local government and devolved administrations, we should aim to build a new network through the Committee of the Regions that would not only cover climate change and migration but also areas such as economic cooperation. As Europe, we are competing against global powers and face on-going transnational challenges in our continent – be they linked to our security, environment or prosperity. Our comparative success as western nations will not depend on whether we legislate together but on how well we cooperate with each other.

vrijdag 30 december 2016

Framing en nepnieuws

Framing komt van het Engelse werkwoord to frame, wat volgens Van Dale "erin luizen, in de val laten lopen, (opzettelijk) vals beschuldigen" betekent. Zo gebruiken politici dit om een andere politicus negatief te kwalificeren. Een bekend voorbeeld komt uit de verkiezingscampagne van 2006 waarbij Jan-Peter Balkenende Wouter Bos als draaikont neerzette door te stellen: "U draait en u bent niet eerlijk". Geert Wilders doet aan framing door te betogen dat Nederland veel beter af is met minder Marokkanen. Donald Trump zet Mexicanen, die in de VS wonen weg als criminelen en zo zijn er legio voorbeelden. De remedie hiertegen kan een onderzoek zijn door journalisten of de beweringen wel juist zijn of op zijn minst moeten worden gerelativeerd. Helaas gebeurt dat maar weinig omdat tegenwoordig kranten of andere media over steeds minder middelen beschikken om het complete plaatje te schetsen en als het gebeurt blijkt er maar een beperkt kijkers-, luisteraars- of lezerspubliek te zijn dat geïnteresseerd is in de achtergronden en feiten. Tegenwoordig komt veel nieuws via een hapklare Twitter- of Facebookbrok naar ons toe en het checken van de feiten blijft vaak achterwege. Facebook werkt inmiddels met nieuwsorganisaties samen bij het factchecken omdat de stroom van onjuiste berichtgeving alleen maar toeneemt. Recent dreigde een Pakistaanse minister Israël met een kernoorlog vanwege een nepbericht. De concurrentie, met name ook op de snelheid van berichtgeving, tussen media is zo groot geworden dat deugdelijke controle regelmatig ontbreekt.  

Framing en het verspreiden van nepnieuws liggen in elkaars verlengde, net als onjuiste of onvolledige berichtgeving. Daarvan wil ik twee voorbeelden geven die mij ergeren. Het eerste gaat over de zogenaamde precariobelasting die netwerkbeheerders als Enexis, Stedin en Alliander moeten betalen aan gemeenten als men kabels, leidingen of buizen in de grond legt. Deze bedrijven hebben bij de Tweede Kamer een succesvolle lobby gevoerd om deze belasting af te schaffen. Los van het feit dat u en ik ook moeten betalen als wij gemeentegrond in gebruik willen nemen, wordt door de netwerkbeheerders betoogd dat de burgers de dupe worden van deze belasting omdat men deze doorberekent in de tarieven. De realiteit is dat bijvoorbeeld Enexis in 2015 een winst heeft behaald van 223,1 miljoen Euro en dat dit in de vorm van dividend aan provincies en gemeenten wordt uitgekeerd. De precariobelasting van enkele tientallen miljoenen is dus prima op te brengen en hooguit is er sprake van een verschuiving van inkomsten. Gemeenten steken de opbrengsten overigens weer in zaken die voor de gemeenschap nuttig en wenselijk zijn, van zorg tot wegen en van dorpsbudgetten tot zoutstrooien bij gladheid. Ondertussen vinden wij een vette kop in het Algemeen Dagblad van 29 december 2016: "Gemeenten spekken hun kas met precario: burger de dupe". Het framen van gemeenten als hongerige geldwolven draagt helaas bij aan het negatieve beeld dat burgers al van de politiek en ambtenaren hebben. 

Het tweede voorbeeld is de beeldvorming over Europa. Hoe negatief willen wij het hebben? Dat wij sinds Julius Caesar nog nooit zo'n lange periode van vrede tussen de grote landen hebben gekend wordt vaak vergeten. Er wordt alleen maar nadrukkelijk melding gemaakt van het feit dat wij meer aan de EU betalen dan ontvangen, terwijl de grote voordelen voor onze bedrijven die exporteren gemakshalve niet worden genoemd. Veel werknemers in Nederland hebben een baan dankzij het grote economische voordeel dat wij als exportland hebben. Mensen die werk hebben behoeven geen uitkering te krijgen dus dan geeft de overheid minder geld uit. Dat rekenen wij nooit mee als wordt gekeken naar de voordelen van de EU. Wij wijzen alleen op de regeltjes die uit Brussel komen terwijl daar ook nog wel wat op af te dingen valt. Neem openbaar aanbesteden als voorbeeld. Vanuit Brussel komt er een richtlijn die door alle lidstaten na lang onderhandelen is goedgekeurd. Deze richtlijn moet worden omgezet in nationale wetgeving en dan komt het. De Tweede Kamer tuigt een wet op die tot complexiteit en veel administratieve rompslomp leidt en als er kritiek van ondernemers en gemeenten komt wordt vervolgens gewezen naar Europa waar men maar "aanregelt". Een volstrekt onjuiste voorstelling van zaken, maar het gaat er bij de Eurosceptici in als koek. 

In het Bijbelboek Hosea 4 vers 6 staat: "Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis". Ik wil 2017 niet negatief beginnen maar het zijn niet voor niets profetische woorden. Ik zou graag een pleidooi houden voor een website en/of een krant waarin ik nieuws lees dat is gecheckt en waarin het volledige verhaal wordt verteld met bronvermelding. Volgens mij is daar behoefte aan. Ik zou in ieder geval een abonnement nemen. Graag wens ik alle lezers een goed, gezond en gezegend 2017!